Actueel

meer

Projecten: Eindelijk een echte burgemeester

korte-inhoud

Projecten: Eindelijk een echte burgemeester. Feiten en fabels over Marcel van Grunsven 1940-1946

Download het boek

De resultaten van het onderzoek door HistoryWorks in kort bestek

Ons onderzoek naar aanleiding van De geur van kolen van onderzoeksjournalist Joep Dohmen geeft antwoord op twee vragen. Hoe zag het beleid van burgemeester Marcel van Grunsven van Heerlen er tijdens de bezettingsjaren uit en hoe verliep zijn naoorlogse zuivering? Centraal in het door hem gevoerde beleid stond de bescherming van de inwoners en het dienen van hun belangen. Daartoe omringde hij zich met twee exponenten van het plaatselijke en regionale verzet: zijn kabinetschef Wim Quint en de commandant van de Heerlense brandweer Charles Bongaerts. Met instemming en medewerking van laatstgenoemden, maakte hij bovendien gebruik van twee ‘foute’ hulpkrachten: de Duitse ondernemer Leo Vossen en de NSB’er Jean Martens. Het duo bewees Van Grunsven veel nuttige diensten, variërend van het inwinnen van inlichtingen in Duitse en NSB-kring, het vrij praten van arrestanten en gijzelaars bij Duitse instanties, het ongedaan maken van financiële boetes die de gemeente van Duitse zijde waren opgelegd en het voorkomen van woningvorderingen. Zulke contacten hadden als bijkomend voordeel dat de Duitse en NSB-autoriteiten misleid werden. Van Grunsven speelde het spel bekwaam. Daarnaast zag hij erop toe dat de leiding van de belangrijkste gemeentelijke diensten in handen kwam of bleef van betrouwbare vertrouwenspersonen. Onder het motto steunen, faciliteren en beschermen van verzetswerk, ondervonden individuele medewerkers van bijvoorbeeld politie, distributiedienst, arbeidsbureau en bevolkingsregister de noodzakelijke rugdekking om de doeleinden van de humanitaire hulpverlening naar vermogen te realiseren. Ook deden ze er met Van Grunsven alles aan om de Duitse maatregelen waar mogelijk te verzachten, te saboteren, tegen te werken of zelfs ongedaan te maken. Direct na de bevrijding brachten alle raadsfracties de burgemeester hulde voor dit moedige en standvastige beleid. De Heerlense magistraat ging de geschiedenis in als schoolvoorbeeld van een ‘goede’ burgemeester.

Desondanks klonken dissonanten in dit eenstemmige koor, goeddeels veroorzaakt door porseleinhandelaar Jean Vincken en de jurist Henri Doppler. De twee hadden een persoonlijke aversie tegen Van Grunsven, waarvan de oorsprong in de vooroorlogse jaren lag. Beide grepen de naoorlogse zuivering aan om hun gram te halen en de burgemeester ten val te brengen aan de hand van tientallen dubieuze klachten, die het niveau van roddel en laster nauwelijks ontstegen. Daarbij lieten ze zich influisteren door informanten, van wie sommigen een belast oorlogsverleden hadden en daarom niet in de openbaarheid konden of wilden treden. Van Grunsven wist dat hij sterk stond, liet de klachten zelfs aan het gemeentehuis ophangen en doorstond zijn zuivering glansrijk. Op één na verdwenen alle klachten van tafel. Wat overbleef en waar hij informeel op werd aangesproken, was het accepteren van wijn, die hem een paar maanden voor de bevrijding was toegezonden door een ‘foute’, maar inmiddels tot inkeer gekomen hotelexploitant. Deze ex-NSB’er was er veel aan gelegen een wit voetje te halen bij de burgemeester.

Nadat de inspanningen om Van Grunsven via een zuiveringsprocedure beentje te lichten waren mislukt, waagde de jurist Doppler het in de eerste maanden van 1946 nogmaals. Op eigen initiatief stelde hij alles in het werk om de zaak aanhangig te maken bij het Bijzonder Gerechtshof in Den Bosch. De Bijzondere Gerechtshoven waren kort tevoren in het leven geroepen voor de strafrechtelijke vervolging en berechting van landverraders en oorlogsmisdadigers. De zware gevallen dus. Doppler had daar weliswaar geen bemoeienis mee, maar hij bekleedde een assisterende functie bij het Hof in Den Bosch. Als hij enige kans van slagen wilde maken, dan moesten de afgewezen klachten bij gebrek aan nieuwe aangedikt worden, aangevuld met verdachtmakingen. Vergeefse moeite, gedoemd om te mislukken. Dopplers chef, de procureur-generaal bij het Bijzonder Gerechtshof, gaf hem meteen te verstaan dat hij geen schijn van kans maakte. Zo kon het gebeuren dat er uiteindelijk twee dossiers over Van Grunsven in het Nationaal Archief in Den Haag belandden: een zuiveringsdossier van het Ministerie van Binnenlandse Zaken en een flinterdun, geseponeerd dossier van de Bijzondere Rechtspleging dat onder het Ministerie van Justitie viel. Onderzoeksjournalist Joep Dohmen vond die terug. Hij besteedt er uitvoerig aandacht aan in zijn in oktober 2013 verschenen familiegeschiedenis De geur van kolen. De focus richt zich op de klachten uit Van Grunsvens zuiveringsdossier, een handvol slecht onderbouwde en gedeeltelijk weggenuanceerde aanbevelingen van de Adviescommissie voor de zuivering van burgemeesters in Limburg en twee lange brieven van Doppler met smadelijke aantijgingen aan het adres van Van Grunsven. De heldere en overtuigende repliek van de burgemeester komt in zijn boek amper aan bod en wordt in badinerende termen afgedaan. Talrijke bronnen die het antwoord van Van Grunsven bevestigen, blijven zo goed als onvermeld. Hetzelfde geldt voor getuigenissen a decharge. Hard bewijs ter onderbouwing van de klachten ontbreekt en de bronnen worden selectief, zelfs verminkt weergegeven, inclusief essentiële weglatingen. De onmisbare context ontbreekt eveneens. Daarentegen worden de op niets gebaseerde klachten in extenso belicht. Zo construeert de auteur een beeld van een burgemeester waar een luchtje aan zit, een beeld dat strijdig is met de historische werkelijkheid en verantwoord historisch onderzoek.
Nadat auteur Dohmen Van Grunsvens reputatie aan het wankelen heeft gebracht, gaat hij verderop in zijn boek over tot een vergelijking tussen de Heerlense magistraat en zijn oom Albert den Rooijen, oorlogsburgemeester van het Midden-Limburgse Echt. Die heeft zich weliswaar in oktober 1941 laten benoemen door de NSB-commissaris in de provincie Limburg, maar Dohmen ziet daar geen kwaad in. Integendeel, Den Rooijen heeft het ambt aanvaard om de mogelijke komst van een NSB’er te blokkeren. Gemeenteambtenaren van Echt hadden na de oorlog verklaard dat er weinig aan te merken was op zijn beleid. Minder gunstige passages uit hun verklaringen blijven onvermeld in De geur van kolen. Zo getuigden twee ambtenaren dat Den Rooijen incapabel was voor de uitoefening van het burgemeestersambt en de boel de boel liet, waardoor enige ruimte ontstond voor ambtelijk verzetswerk. Waarom, zo vraagt Dohmen zich vervolgens af, mocht Van Grunsven aanblijven en moest oom Albert vertrekken? Zou het te maken kunnen hebben met bescherming van hogerhand of de positie van Heerlen als energiestad waar men vooral gebaat was bij rust? Dohmen blijft het antwoord schuldig. Uit ons onderzoek blijkt dat niet Van Grunsven, maar oom Albert bescherming van hogerhand genoot. Tijdens de bezettingsjaren wel te verstaan! Nog voor hij in Echt werd benoemd, pleegde Den Rooijen in zijn functie van hoofd van de Roermondse distributiedienst bonnenfraude met de pro-Duitse burgemeester van Roermond, Paul Reijmer. In de loop van 1942 kwamen de criminele activiteiten aan het licht. Reijmer en Den Rooijen werden door de Duitse autoriteiten ter verantwoording geroepen. Dankzij de goede contacten van Reijmer in hoge Duitse bestuurskring ontsnapten de twee aan een veroordeling. Het bewijsmateriaal werd op last van de Duitsers vernietigd of verdonkeremaand, maar de verzetskrant Het Parool was goed geïnformeerd en maakte er in april 1943 melding van onder het kopje ‘Dictatuur beschermt corruptie’. Na afloop van de affaire functioneerde Den Rooijen als aangeschoten wild in zijn gemeente. Tijdens zijn naoorlogse zuivering ontsnapte hij opnieuw aan een gerechtelijke procedure omdat de fraudezaak (nog) niet bekend was.
Het wetenschappelijk onderzoek door HistoryWorks kan slechts tot één conclusie leiden. Het positieve beeld van burgemeester Van Grunsven is nodeloos bezoedeld op grond van dubieuze klachten uit verdachte hoek. De beschuldigingen hielden tijdens de zuiveringsprocedure geen stand, maar ze zijn 70 jaar na dato als nieuwe, tot dusver onbekende feiten gepresenteerd door Joep Dohmen. Hard bewijs voor die klachten werd destijds niet geleverd en 70 jaar later evenmin. Er bestaat geen enkele reden het gevestigde beeld te herzien: het beeld van een magistraat, geknipt om zijn gemeente op voorbeeldige wijze door de moeilijke bezettingsjaren te gidsen. Eindelijk een echte burgemeester. Feiten en fabels over Marcel van Grunsven 1940-1946 toont dat overtuigend aan.

Eindelijk een echte burgemeester, met 338 pagina’s en rijk geïllustreerd, is voor € 19,45 verkrijgbaar in de boekwinkel en kan hier online besteld worden.